Een vorstelijk en Europees handschrift in een Belgische collectie
De Anjoubijbel heeft een bijzonder rijke geschiedenis, ingebed in de historische context van de Angevin dynastie in Napels en Sicilië. In het midden van de 13de eeuw schenkt Lodewijk IX de heilige, koning van Frankrijk de gebieden Maine en Anjou aan zijn broer Karel I van Anjou. Door diens huwelijk met Beatrijs verwerft hij de Provence en in 1266 verovert hij Napels. Zijn zoon Karel II huwt met Maria van Hongarije. Hun kleinzoon Karel Robert van Anjou wordt in 1309 koning van dat gebied. In 1370 verwerft zijn zoon Lodewijk I de Grote ook de heerschappij over Polen.
De openingsdiptiek in de Anjoubijbel verheerlijkt deze rijke geschiedenis van het huis Anjou. Naast Robert I van Anjou - de rex expertus in omnia scientia zoals het opschrift hem betitelt - verschijnt een stamboom in drie registers: bovenaan Karel I en zijn echtgenote Beatrijs van Provence, daaronder Karel II en Maria van Hongarije en tenslotte Robert I van Anjou zelf met zijn echtgenote Sancha van Majorca. Zij blijven zonder mannelijke erfgenaam achter - hun enige zoon Karel sterft onverwacht - en het is hun oudste kleindochter Johanna die in 1330 officieel tot erfgename wordt uitgeroepen.
Het huis van Anjou regeert gedurende twee eeuwen over Zuid- en Midden-Europa. De verschillende gebieden groeien uit tot hechte staten met efficiënte instellingen, een lucratieve handel en een bijzonder bloeiend cultureel leven. Onder het huis van Anjou zijn grote kunstenaars en schrijvers als Giotto, Simone Martini, Boccaccio en Petrarca actief.
Ook het muziekleven aan het Napolitaanse hof krijgt nieuwe impulsen: reeds onder Karel van Anjou (1226-1286) is er geïnvesteerd in meer en betere musici. Er heerst een gunstig artistiek klimaat waarin muzikale experimenten een kans krijgen. Een van de meest begaafde musici aan Karels hof is ongetwijfeld de trouvère Adam de la Halle, die tijdens zijn dienstjaren in Napels het vermaarde muzikale herdersspel Le Jeu de Robin et Marion schrijft. Karels opvolger, Robert van Anjou, is een bijzonder belezen en gesofisticeerde vorst, die het mecenaat van vele wetenschappers en kunstenaars op zich neemt. Hij is als koning van Napels de onbetwiste leider van de Welfen. Als aanhanger van paus Benedictus XII en mecenas van talrijke musici uit diens entourage in Avignon, is zijn naam verbonden aan de beroemde muziekcodices van Apt en Ivrea - waarin onder meer een aan Robert opgedragen motet van Philippe de Vitry te vinden is. De talrijke muziekinstrumenten en muzikale scènes in de Anjoubijbel zijn een unieke, artistieke veruiterlijking van deze muzikale hoogconjunctuur.
De Anjoubijbel en zijn ontstaanscontext zijn in de eerste plaats van belang voor de studie van het cultureel-maatschappelijke leven in het middeleeuwse Zuid-Italië. Toch slaat het handschrift al vroeg de brug naar het Noorden van Europa. Al in 1402 wordt de codex beschreven in de inventaris van Jean Duc de Berry (1340-1416), broer van de Franse koning Karel V en vermaard kunst- en boekenliefhebber. Op de snede van het manuscript zijn de sporen van het wapenschild van Jean duc de Berry nog te zien.
Via de bisschop van Arras (Atrecht), Nicolaus de Ruistre (1442-1509), komt het manuscript in het begin van de zestiende eeuw in het Atrechtcollege in Leuven terecht. In de Notationes in Sacra Biblia van Lucas Brugensis, in 1580 door Christoffel Plantin gepubliceerd, wordt expliciet naar het handschrift verwezen. Vanaf het begin van de negentiende eeuw behoort het manuscript tot de collectie van het Grootseminarie van Mechelen. Sinds 1970 wordt het bewaard in de Maurits Sabbebibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid van de K.U.Leuven.